|
De tien meest gemaakte fouten.
1 Bij trekstoten wordt de keu op het moment met aanraking van de speelbal teruggetrokken. Bij doorschietstoten gaat men over het algemeen wel door. De beweging van de keu dient bij contact met de speelbal in beide gevallen, dus zowel bij trek- als bij doorschietstoten, door te gaan. Het grote verschil tussen beide stootvormen is de aanspeelhoogte. Bij trekstoten altijd onder het middelpunt van de speelbal, bij doorschietstoten doorgaans boven het middelpunt.
----------
2 Het niet bewegen van de keu in een rechte lijn:
Het is de bedoeling dat de keu niet naar rechts of links wordt gezwaaid. Men noemt deze fout een side stroke.
Het is de bedoeling dat de keu niet naar boven of naar beneden wordt bewogen Men noemt dit een up- respectievelijk een down-stroke.
Alleen een rechte lijn van de keu, de zogenaamde beweging in zijn asrichting is juist.
----------
3 De voorhand is het statief van uw fototoestel. U kunt, als u de foto neemt, uiteraard een schop tegen het statief geven, maar zal de foto dan nog scherp zijn? Uw voorhand heeft dezelfde functie. Dus laat u voor, tijdens en na de stoot, uw voorhand doodstil liggen. U krijgt hierdoor een prima resultaat.
-----------
4 Wat er bij punt 3 over de voorhand is verteld, geldt ook voor het lichaam. Voor, tijdens en na de stoot dient het hele lichaam muisstil te staan. De bewegingen komen, afhankelijk van de spelsituatie, uit de elleboog, dan wel uit de pols en in sommige gevallen zelfs zowel uit de pols als uit de onderarm. Dit is de tempo onderarmtechniek.
----------
5 Er wordt over het algemeen veel te hard gespeeld. Het is heel vreemd maar hoe harder we stoten hoe moeilijker het wordt om een spelsituatie zuiver te spelen. Zodra de speelbal de derde bal geraakt heeft, dient hij tot stilstand te komen. Bij voorkeur binnen een afstand van ongeveer 20 cm.
----------

6 Men kijkt tijdens de stoot naar de derde bal. Een heel slechte manier van stoten omdat deze werkwijze de side stroke in de hand werkt. Het is veel beter om ons eigen te maken dat we voor, tijdens, en na de stoot naar de tweede bal kijken. Bij de massé en piqué kijken we naar het punt waar de pomerans de speelbal dient te raken.
----------
7 Te snel stoten behoort ook tot de toptien meest gemaakte fouten. Al lijkt het nog zo'n gemakkelijke spelsituatie, bekijk en behandel hem toch alsof het de moeilijkste stoot is die u ooit gezien heeft.
----------
8 Alle stootbeelden worden met dezelfde afstand van de voorhand ten opzicht van de speelbal gespeeld en dat zelfde geldt voor de achterhand. Ga ervan uit dat als u een een kleine spelsituatie speelt, dan dient u een een korte voorhand te gebruiken, Ongeveer 6 cm is goed, en een korte achterhand. De achterhand dient dan ongeveer 1 handdikte achter het balanspunt van de keu te liggen. Moet u een extreem grote situatie spelen dan dient de voorhand circa 15 cm vanaf de speelbal te staan en de achterhand circa 15 cm van het einde van de keu.
----------
9 Biljarten is een concentratie spel. Het niet concentreren is dodelijk voor een goede partij. Probeer u eigen te maken dat u telkens de situatie goed bekijkt, en voorzie niet elke carambole van commentaar. Het evalueren dient na de partij te geschieden.
----------
10 Men speelt over het algemeen teveel spelsituaties waarbij de speelbal over de band(en) loopt. Bij de spelsoort libre en kader is het van zeer groot belang om zoveel mogelijk voor de directe oplossingen te kiezen. Onder directe oplossingen wordt verstaan dat, de speelbal direct via bal 2 naar bal 3 wordt gespeeld, dus zonder een of meerdere banden. Men zegt weleens gekscherend:" De basis functie van de banden is om ervoor te zorgen dat de ballen niet op de grond vallen"!
----------
|